|
Inzendvoorwaarden De hogere Nederlandse ontwerpopleidingen met de afstudeerrichtingen architectuur, stedebouw en/of landschapsarchitectuur selecteren jaarlijks hun beste afstudeerplannen en sturen die naar Archiprix. De selectie door de opleidingen geschiedt conform de inzendvoorwaarden en de selectiecriteria van Archiprix. Volgens de inzendvoorwaarden kunnen de hogere Nederlandse ontwerpopleidingen voor de Archiprix 2006 de volgende aantallen plannen inzenden: Delft 9, Amsterdam 4, Eindhoven 4, Rotterdam 3, Tilburg 2, Wageningen 2, Arnhem 1, Groningen 1 en Maastricht 1. Dit betekent een maximaal aantal van 27 plannen. Archiprix ontving 23 inzendingen. Voor het eerst sinds jaren werd niet het maximale aantal ingezonden. Uit Delft kwamen dit jaar 7 inzendingen, uit Rotterdam 2, Groningen stuurde voor deze ronde geen afstudeerplan in. Naast formele bepalingen bevatten de inzendvoorwaarden de inhoudelijke criteria die de basis vormen voor zowel de selectie van de plannen door de opleidingen als voor de jurybeoordeling. Verlangd wordt dat het ingezonden plan in ieder geval: een ontwerp of ruimtelijk plan als resultaat heeft; een expliciet geformuleerde probleemstelling als uitgangspunt heeft; een inhoudelijke verantwoording bevat van de wijze waarop het plan, uitgaande van de probleemstelling, tot stand is gekomen. Bij de beoordeling wordt vervolgens gelet op de volgende elementen: de analyse van de opgave; de conceptuele kracht van het plan; de ruimtelijke kwaliteit van het ontwerp in combinatie met een zorgvuldige inzet van middelen; de verantwoording in beeld en geschrift en tenslotte de samenhang tussen deze elementen. Deze samenhang is van belang omdat de inzender daarmee aantoont het totale proces te beheersen waarbij het in de opgave gestelde probleem naar een passende ruimtelijke oplossing vertaald wordt.
Jurysamenstelling
Jaarlijks stelt het bestuur van Archiprix een andere, onafhankelijke jury van deskundigen samen. Omwille van de objectiviteit mogen geen personen in de jury zitting hebben die direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van een inzending of die een directe relatie hebben met de ontwerper van een ingezonden plan. De jury heeft als taak om alle ingezonden plannen op hun eigen merites te beoordelen en elk afstudeerplan van een kort inhoudelijk commentaar te voorzien. Daarnaast moet de jury uit de inzendingen de beste plannen selecteren, waaronder ze het prijzengeld kan verdelen. De jury bestaat uit vijf personen. Vier deskundigen uit de deelnemende vakgebieden en een beschouwer. De samenstelling van de jury die de afstudeerplannen van de Archiprix 2006 beoordeelde is als volgt:
- Jan Benthem - architectuur
- Hilde de Boer - stedebouw
- Jacob van Rijs - architectuur
- Marieke Timmermans - landschapsarchitectuur
- Pieter van Wesemael - theorie
De secretaris van de jury is Henk van der Veen van Archiprix.
Werkwijze De jury beoordeelde de plannen op 3 en 7 februari 2006 in Delft. Voorafgaand aan de jurybeoordeling ontving de jury van elk plan een door de ontwerper opgestelde tekst met de essentie van zijn of haar plan. In de periode tussen de beide jurybijeenkomsten zijn de toelichtingen bij de plannen bestudeerd. De jury beoordeelde elk plan afzonderlijk op zijn kwaliteiten, uitgaande van de door Archiprix opgestelde criteria zoals die in de inzendvoorwaarden zijn weergegeven.
 |
ALGEMENE OPMERKINGEN
Statistiek
De Nederlandse ontwerpopleidingen selecteerden 23 afstudeerplannen voor deelname aan de Archiprix 2006. Van de 23 plannen zijn er 19 met als afstudeerrichting architectuur, 2 plannen hebben als afstudeerrichting stedebouw en tenslotte zijn 2 projecten ontworpen door deelnemers die afstudeerden in de landschapsarchitectuur. Amsterdam is onverminderd populair als locatie, ruim een kwart van de plannen is gesitueerd in de hoofdstad. Zes projecten hebben een buitenlandse locatie. Het percentage vrouwelijke deelnemers loopt steeds verder terug. Was het percentage vrouwen in de jaren rond de eeuwwisseling nog 30 procent, in 2006 is het met de helft teruggelopen tot 16 procent. Dit terwijl het percentage vrouwelijk studenten grofweg het dubbele bedraagt. Verhoudingsgewijs dringen steeds minder vrouwelijke afstudeerders door tot de Archiprix.
Tendensen
Alle inzendingen overziend signaleert de jury enkele algemene tendensen. Om te beginnen is er sprake van een substantieel aantal projecten dat betrekking heeft op hergebruik en het verleden. De jury acht de intentie om zorgvuldig om te gaan met bestaande kwaliteiten op zich een goede zaak, maar acht het aanbevelenswaard om deze aandacht sterker dan nu het geval is te combineren met nieuwe technologische oplossingen. Op dat terrein is nog progressie mogelijk. Gezien de aandacht voor het bestaande wekt het bevreemding dat uit de plannen geen diepgaande kennis van de geschiedenis blijkt. Ook hier lijkt winst mogelijk. Als de wortels van het vakgebied bekend zijn kan men voortbouwen op de bestaande kennis en inzichten in plaats van zelf het wiel proberen uit te vinden. Opvallend afwezig zijn grensverleggende toekomstvisies. De aandacht lijkt meer geconcentreerd te worden op detaillering dan op het ontwikkelen van nieuwe perspectieven. In voorgaande jaren is door verschillende jury's gewezen op de achterblijvende ontwikkeling van de stedebouw; er werd zelfs gesproken over 'crisis in de stedebouw'. Als we nu constateren dat er in de architectuur een gebrek aan toekomstvisie heerst kan men zich, enigszins polemisch en provocerend, afvragen of dit wellicht een voorbode is van een'crisis in de architectuur?'.
Het hoge schaalniveau is zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht goed vertegenwoordigd. Ook onder de architecten krijgt het stedebouwkundig niveau veel aandacht. De stad in de stad is een populair thema. Het is vooral bij deze plannen dat het gebrek aan kennis van de geschiedenis zich doet gelden.
Misschien wel de belangrijkste constatering is dat de inbreng van andere disciplines vaak node ontbreekt. Dat staat in een aantal gevallen de kwaliteit van het ontwerp in de weg. Het is bovendien als voorbereiding op de beroepspraktijk, waar de ontwerper vaak opereert in ontwerpteams, van groot belang als er al in de studie samengewerkt wordt met vertegenwoordigers van disciplines die voor de opgave van belang zijn. Wat bovendien opvalt is dat veel plannen geen toepasselijk uitwerkingsniveau hebben. Het schaalniveau tot waar de opgave wordt doorgewerkt is vaak niet goed gekozen waardoor het plan eigenlijk niet 'uit de verf' komt. Soms wordt op een te laag, soms op een te hoog schaalniveau uitgewerkt. Het schaalniveau en de daarbij behorende mate van uitwerken moet meer worden toegesneden op de probleemstelling binnen de planopgave.
|