|
De keuze om een oosters badhuis te ontwerpen in het centrum van Amsterdam past binnen de hernieuwde aandacht voor lichaamscultuur. Het transplanteren van een in de vroeg- islamitische wereld ontstane gebouwtypologie naar de hedendaagse westerse wereld brengt zowel sociaal-culturele als architectonische vraagstukken met zich mee. Hamam Amsterdam geeft uitdrukking aan de meer genuanceerde verhouding tussen mannen en vrouwen in de westerse maatschappij maar conformeert zich tegelijkertijd aan de meest essentiële islamitische waarden en normen met betrekking tot privacy. Om specifieke eigenschappen en ruimtelijke kwaliteiten van een hamam te ontdekken heb ik historische badhuizen onderzocht in Boedapest en in Turkije.
Ik koos de doodlopende Kromelleboogsteeg als locatie voor het badhuis. Ze vormt een rustpunt temidden van de stadschaos en geeft vanaf het Rokin toegang tot Hamam Amsterdam. Het gebouw bestaat uit een geheel met elkaar verweven mannen- en vrouwenbadhuis, dat programmatisch en architectonisch is verdeeld in drie zones.
De eerste zone is gelegen aan het eind van de steeg en bevat de entree, met een groot notenhouten kleedmeubel, dat boven de bezoekers lijkt te zweven. Wanneer dit zes verdiepingen tellende meubel wordt beklommen, scheiden de wegen van de mannen en de vrouwen zich. Echter doordat de kleedhokjes met elkaar zijn verweven, ervaren ze nog steeds elkaars nabijheid.
De tweede zone bestaat uit een donkere betonnen gang met toiletten. De gang vormt de overgang naar de badruimten. De tunnelwerking van de gang benadrukt zowel de programmatische opsplitsing als de auditieve scheiding tussen de beide seksen.
De derde zone is een langgerekt gebouw dat eveneens is gemaakt van donker beton. Het bevat alle badruimten, die soms horizontaal, soms verticaal met elkaar zijn verbonden. Deze verbindingen zijn gelegd door middel van gangen en trappen in een smalle zone langs de beide lange buitenwanden van het gebouw. Daarbij levert een volgende ruimte telkens een nieuwe ervaring op.
De badruimten voor de vrouwen en die voor de mannen zijn spiegelsymmetrisch ten opzichte van elkaar gepositioneerd, waarbij zij elkaars inverse vorm aannemen. Beide seksen ervaren elkaar slechts op één punt, terwijl de aanwezigheid van de andere sekse onbewust de ruimtelijke ervaringen in het totale badencomplex definieert.
Uiteindelijk dalen de bezoekers via de trappen langs het houten kleedmeubel weer af naar de uitgang aan de drukke Kalverstraat. Daarmee is de steeg als verbindend element tussen twee straten hersteld.
Opleiding: AvB Arnhem
Studierichting: architectuur
Mentoren: Jan Kroes, Annemariken Hilberink, Wim Korvinus
|