|
Voor de Archiprix 1999 stuurden de gezamenlijke opleidingen 25 afstudeerplannen in. Negentien vanuit de studierichting architectuur, drie vanuit de stedebouw en drie vanuit de landschapsarchitectuur. Bij elkaar is dit drie minder dan het maximaal toegestane aantal. De Academie van Bouwkunst in Amsterdam stuurde drie plannen in plaats van de toegestane vijf, terwijl de faculteit der Bouwkunde van de TU Delft acht in plaats van negen plannen instuurde. Dit zijn signalen dat het aantal kwalitatief hoogwaardige afstudeerplannen dit jaar op die opleidingen beneden het normale peil ligt. Verheugend is de aanwezigheid van twee de plannen van de Vakgroep Ruimtelijke Planvorming van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Het is pas de tweede keer in de afgelopen zeven jaar dat Wageningen het haar toegewezen maximum van twee plannen instuurde. Om de statistiek compleet te maken nog het volgende. Het aantal vrouwelijke deelnemers is met 6 van de 26 deelnemers teruggezakt tot minder dan een kwart. De afgelopen twee jaar was de verhouding één op drie. Er werden tenslotte acht plannen ontworpen die geheel dan wel voor een deel op een buitenlandse locatie gesitueerd zijn. Met dertig procent is daarmee het aantal buitenlandse locaties onveranderd hoog.
 |
Inzendvoorwaarden
De hogere Nederlandse ontwerpopleidingen met de afstudeerrichtingen architectuur, stedebouw en/of landschapsarchitectuur selecteren jaarlijks hun beste afstudeerplannen van het afgelopen jaar en sturen die naar Archiprix. De selectie door de opleidingen voor deelname aan de Archiprix geschiedt conform de inzendvoorwaarden en de selectiecriteria. Er is gekozen voor een selectie door de opleidingen omdat de inhoudelijke kwaliteit van studentenplannen het beste door de opleidingen te beoordelen is. Bovendien is een opleiding nauw betrokken bij een afstudeerplan. Ze stelt de eisen vast waaraan het afstudeerwerk moet voldoen en is verantwoordelijk voor de begeleiding van de afstudeerders. Een onafhankelijke selectiecommissie zou, alleen al gezien het aantal afstudeerplannen in Nederland, geen afgewogen selectie op basis van inhoudelijke argumenten kunnen maken.
In de inzendvoorwaarden staan een aantal formele bepalingen met betrekking tot zaken als de inleverdatum en het aantal plannen. Zo konden de hogere Nederlandse ontwerpopleidingen voor de Archiprix 1999 de volgende aantallen plannen inzenden: Delft 9; Rotterdam (inclusief Arnhem en Groningen) 5; Amsterdam (inclusief Maastricht) 5; Eindhoven 4; Tilburg 3 en Wageningen 2. Dit betekent een maximaal aantal van 28 plannen.
Naast de formele bepalingen bevatten de inzendvoorwaarden de inhoudelijke criteria die de basis vormen voor zowel de selectie van de plannen door de opleidingen als de jurybeoordeling. Verlangd wordt dat het ingezonden plan in ieder geval:
- een ontwerp of ruimtelijk plan als resultaat heeft
- een expliciet geformuleerde probleemstelling als uitgangspunt heeft
- een inhoudelijke verantwoording bevat van de wijze waarop het plan, uitgaande van de probleemstelling, tot stand is gekomen.
Bij de beoordeling wordt vervolgens gelet op de volgende elementen: de analyse van de opgave; de conceptuele kracht van het plan; de ruimtelijke kwaliteit van het ontwerp in combinatie met een zorgvuldige inzet van middelen; de verantwoording in beeld en geschrift en tenslotte de samenhang tussen deze elementen. Deze samenhang is van belang omdat de inzender daarmee aantoont het totale proces te beheersen waarbij het in de opgave gestelde probleem naar een passende ruimtelijke oplossing vertaald wordt.
De criteria vormen een algemeen kader voor de beoordeling van de ingezonden plannen. Het bestuur van Archiprix acht het niet gewenst om vooraf gedetailleerde criteria op te stellen waaraan de plannen getoetst kunnen worden omdat de inzendingen onderling sterk verschillen en er geen sprake is van een gemeenschappelijk programma. Criteria die voor het ene plan relevant zijn, kunnen voor een ander plan niet ter zake doen. De jury gaat daarom uit van de eigen bedoelingen van elk afzonderlijk plan en onderzoekt per plan in hoeverre het ontwerp een adequaat antwoord is op het in de opgave gestelde probleem.
Jurysamenstelling
Jaarlijks stelt het bestuur van Archiprix een onafhankelijke jury van deskundigen samen. Elk jaar worden hiervoor andere personen gevraagd. Ter wille van de objectiviteit mogen geen personen in de jury zitting hebben die direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van een inzending of die een directe relatie hebben met de ontwerper van een ingezonden plan. De jury heeft als taak om alle ingezonden plannen op hun eigen merites te beoordelen en elk afstudeerplan van een kort inhoudelijk commentaar te voorzien. Daarnaast moet de jury uit de inzendingen de beste plannen selecteren, waaronder ze het prijzengeld kan verdelen. De jury bestaat uit vijf personen. Vier deskundigen uit de deelnemende vakgebieden en een theoreticus. De samenstelling van de jury die de afstudeerplannen van de Archiprix 1999 beoordeelde is als volgt:
- Els Bet - stedebouw
- Herman de Kovel - architectuur
- Lodewijk van Nieuwenhuijze - landschapsarchitectuur
- Bob van Reeth - architectuur
- Ann van Sevenant - theorie
De secretaris van de jury is Henk van der Veen van het secretariaat van Archiprix. De jury beoordeelde de inzendingen in januari en februari 1999 te Delft.
Algemene opmerkingen
Vakbekwaamheid en conceptontwikkeling
Bij afstudeerplannen vindt al geruime tijd een accentverschuiving plaats van het maken van een 'proeve van bekwaamheid' naar het 'conceptuele denken'. Dit geldt zowel voor de architectuur als de stedebouw en de landschapsarchitectuur. Beide benaderingen bestaan naast elkaar en verdienen allebeide hun eigen plaats, mede gezien de aard van de vakgebieden en het feit dat een ontwerpopleiding niet slechts een beroepsopleiding is. Voor de directe beroepsuitoefening is bekwaam vakmanschap van grote betekenis. Voor de ontwikkeling van het vakgebied is de theorievorming en de conceptuele benadering belangrijk. Ontwerpers moeten ook in staat zijn om nieuwe oplossingen te ontwikkelen voor nieuwe maatschappelijke tendensen. Dat laatste hoort bij uitstek thuis in het academisch onderwijs.
In het voetspoor van een coryfee als Rem Koolhaas is het zoeken naar nieuwe concepten ongekend populair geworden. Een probleem daarbij is wel dat het ontwikkelen van aansprekende concepten maar voor enkelen is weggelegd en dat velen zich eraan vertillen. Onder de inzendingen van de Archiprix 1999 wordt dit probleem ook manifest. Dit klemt te meer omdat een ontwerp vaak stopt na de vondst van een concept. De uitwerking ontbreekt nog al eens, evenals de motivatie en/of de toelichting. Bij slechts een klein aantal plannen worden uitspraken gedaan op het niveau van de detaillering en de materialisatie. Met een vakbekwame uitwerking moet de waarde van het concept bewezen worden. Bij het ontbreken daarvan wordt het concept gereduceerd tot een grafisch beeld.
Presentatie
Om inzicht te kunnen krijgen in een plan is de presentatie van essentieel belang. 'De verantwoording in beeld en geschrift' is één van de beoordelingscriteria. De plannen moeten bovendien op hun eigen bedoelingen beoordeeld worden. Deze bedoelingen moeten dan ook duidelijk gemaakt worden in de presentatie. Helaas schort het daar nog al eens aan. Over het algemeen worden de plannen weinig trefzeker gepresenteerd. De presentatie in beeld en woord dient alle belangrijke inhoudelijke aspecten van de opgave toegankelijk te maken. Vaak is de presentatie eenzijdig gericht op het beeld en komen belangrijke inhoudelijke achtergronden van de opgave niet als zodanig in de presentatie aan bod. Plannen die direct ontleend zijn aan een praktijkopgave hebben het in dit kader in de regel wat gemakkelijker. De context is vaak bekend waardoor er minder uitgelegd behoeft te worden. Deze plannen kunnen veelal goed op grond van ontwerptekeningen en een korte toelichting beoordeeld worden. Soms is een uitgebreide toelichting echter onontbeerlijk om een plan überhaupt te kunnen beoordelen. Vooral bij de meer theoretische plannen is dat het geval. Deze scheppen een eigen theoretische context waarbinnen het ontwerp beoordeeld moet worden. Deze plannen vereisen een presentatie die toegang geeft tot de gedachtenwereld waarop het ontwerp gebaseerd is. Soms ontbreekt bij een dergelijk plan elke toelichting en wordt het onmogelijk om het plan te beoordelen. Ook de meeste stedebouw en landschapsarchitectuurplannen bevatten aspecten die niet of moeilijk door middel van beelden inzichtelijk te maken zijn. Ze vereisen een toelichting die inzicht geeft in de interpretatie van de opgave en de ontwikkelde strategie.
|