|
De tweede nationale luchthaven is gesitueerd op de Maasvlakte
voor de Zuid-Hollandse kust. Ze vormt een transferium in het immer
groeiende netwerk van mobiliteit, economie en cultuur. Als transferium
negeert de luchthaven alle schalen van tijd, afstand en context,
maar ze is ondanks deze non-contextuele eigenschappen ontegenzeggelijk
massief en werkelijk.
In een luchthaven manifesteren zich twee schijnbaar tegenwerkende
krachten; congestie en separatie. Om functionaliteit en effectiviteit
te maximaliseren worden systematische programmaonderdelen gecentraliseerd,
terwijl om veiligheid en beheersbaarheid te maximaliseren stromen
passagiers worden gescheiden. Zo maakt de eenwording van Europa
de scheiding tussen Europese en internationale passagiers noodzakelijk
en kent elk programmaonderdeel een optimale functionele positie,
afgemeten aan loopafstand, effectiviteit, veiligheid enzovoort.
De passagiers zitten gevangen in de gecontroleerde wereld van
het transferium. Hierbij is de wachttijd nutteloze tijd, maar
tegelijkertijd vrije tijd; een economisch zeer interessante leegte.
Deze nutteloze tijd vormt het draagvlak voor functies die behoren
tot de cultuur van het transferium.
De ruimtelijke structuur wordt gevormd door een structureel grid.
In een grid kunnen zowel stromen hun weg vinden als programma's
hun plaats. Als gevolg van de noodzaak tot centralisatie ontstaan
er ritmen van verschillende systematische programmaonderdelen
en als gevolg hiervan congestie en interferentie. Een lineair
uitbreidbare functionele en ruimtelijke structuur garandeert expansie
en variëteit. Stromen passagiers worden omgelegd, gelaagd en gemengd
als water en olie. Hun scheiding vergroot het spanningsveld in
het transferium en de aantrekkingskracht ervan, het wordt daardoor
onderdeel van het metropolitane karakter, vergelijkbaar met de
Berlijnse muur.
Opleiding: TU Delft
Mentoren: Arne van Herk, Henk Mihl, Arie Krijgsman & Jan Engels
Studierichting: architectuur |